Dag 1 en 2: dinsdag 31 oktober en woensdag 1 november

Na een lange vlucht met Singapore Airlines van Schiphol Amsterdam naar Singapore en een aansluitende vlucht met Silk Air naar Yangon kwamen we kort na de middag van de eerste november aan in het Eastern Hotel waar we de eerste instructies kregen van Ernst-Jan, onze reisbegeleider voor de komende 3 weken. Het meest bizar vond ik het feit dat je geen onderbroeken of sokken in de was mocht geven in de hotels. Je moest deze zelf wassen en als je ze op een lijn had hangen in de hotelkamer en het personeel moest er onder door lopen om de kamer schoon te maken dan liep je het risico dat de kamer maar voor de helft werd schoon gemaakt. We mochten ook niets in de was geven dat niet mocht gestreken worden want hoe je het ook met handen en voeten uitlegde, alle was werd gestreken.

Het was snikheet in Yangon en na een tijdje in de omgeving van het hotel rond gelopen te hebben om de eerste indrukken op te doen van het land en zijn bevolking gingen we ’s avonds met de hele groep eten in de Golden Duck Junior aan de haven. Het was er best gezellig want we zaten aan ronde tafels en niet aan hele lange tafels waardoor je de indruk kreeg dat je in een fabrieksrefter at.

Daarna reden we met de bus naar de verlichte Shwedagon Pagode die 98m hoog was en bijna in de ganse stad te zien. Voor Birmaanse boeddhisten was dit het meest heilige heiligdom van het ganse land en alle inwoners hoopten om dit eens in hun leven te bezoeken. We reden ook naar het Karaweih Palace in het Kandawgyi Lake, een paleis in de vorm van een boot.

Iedereen hield het na dit uitstapje voor bekeken en kroop in bed om uit te rusten van de lange heenreis.

 

Dag 3: donderdag 2 november

Deze voormiddag bezochten we de Shwedagon Paya, hét nationale monument in Myanmar. Een Birmaanse monnik zei ooit: “als je de gouden tempel van Yangon niet gezien hebt, ben je niet in Myanmar geweest.” De pagode was 2500 jaar oud en één van de meest indrukwekkende boeddhistische heiligdommen ter wereld. De klokvormige met bladgoud bedekte “zedi” schitterde al in de zon toen we de vele trappen beklommen naar het platform. Het tempelcomplex bestond uit 4 ingangen met in het midden de grote pagode en daar rondom ontelbare paviljoenen met altaren en Boeddhabeelden. We liepen gewoon onze neus achterna en bekeken de monniken en pelgrims die op de grond zaten te mediteren en allerhande religieuze rituelen uitvoerden.

Er was een symmetrie over 8 punten, de 7 dagen van de week waarvan de woensdag in 2 gedeeld werd. Als je dus ging offeren, was het belangrijk om te weten op welke dag je geboren was.

De Shwedagon pagode was voor ons een gouden, magisch mysterie en we genoten van de momenten van devotie van de plaatselijke bevolking.

De boeddhistische vasten die dit jaar van half juli tot half oktober (volle maan) liep, was net voorbij. Deze vasten hield in dat monniken zich niet mochten verplaatsen, dat ze minder mochten eten en ook helemaal niets meer mochten doen. Niet dat een monnik anders zoveel deed maar soms deden ze al eens de was terwijl ze tijdens deze vastenperiode dus totaal niets meer mochten doen.

Na het bezoek aan de Shwedagon reden we naar de Nga Htat Gyi Pagode met de zittende Boeddha. Nga wilde 5 zeggen en dus was de Boeddha zo groot als een gebouw van 5 verdiepingen.

In de omgeving bezochten we de Chaukhtatgyi met de liggende Boeddha van 66m lang en 60m hoog. Deze Boeddha was wel indrukwekkend maar spijtig genoeg lag hij in een soort hangar met metalen dak en dit deed veel inbreuk op het geheel en daardoor was het ook moeilijk om mooie foto’s te maken van het geheel. De drie belangrijkste posities van een Boeddha waren staand, zittend of liggend maar deze was speciaal omdat hij in een soort Nirwana positie lag met de ogen open terwijl de rechterhand het hoofd ondersteunde.

In de namiddag bezochten we de Sule pagode van 2000 jaar oud die in het hart van de stad lag. De gouden zedi was 46m hoog maar het complex was veel kleiner dan de Shwedagon. Aan de buitenkant van de pagode waren een heleboel kleinere winkeltjes waar men pasfoto’s kon laten maken.

Het nationale kledingstuk gedragen door mannen en vrouwen was de longyi, een soort dichtgestikte grote doek die bij mannen vooraan gestrikt werd en bij vrouwen opzij. Alleen mannen droegen longyi’s met strepen of ruiten.

In de omgeving zagen we ontelbare straatverkopers die hun waren uitstalden op de stoep. We dwaalden door de straten en snoven de sfeer op wat heel leuk was omdat iedereen heel vriendelijk was. Om de straat over te steken moest je goed uit je doppen kijken want er werd geen rekening mee gehouden of je al dan niet het zebrapad gebruikte en grote voertuigen hadden hier altijd voorrang.

Yangon was een stad met heel wat grote koloniale gebouwen uit de Engelse tijd. Op zeker moment besliste de een of andere generaal dat alle Engelse invloeden moesten verdwijnen. Hij bedoelde dit eerder op politiek gebied maar men nam dit letterlijk en daardoor reed het verkeer rechts in plaats van links zoals vroeger het geval was. Sommige wagens hadden het stuur links en andere rechts omdat wagens uit Japan en Korea waar men links reed verkocht werden in Myanmar waar ze zeker nog een 20-tal jaren mee gingen. Daardoor hadden de buschauffeurs ook altijd een bijrijder om aanwijzingen te geven bij het inhalen.

In de ABC Country Pub en Coffee Shop gingen we een biertje drinken en in de late namiddag was het platte rust op bed want de lange vlucht hing nog in onze kleren.

’s Avonds aten we in het Shwe Win Restaurant schuin over het hotel, een klein restaurant waar ook de plaatselijke bevolking veel kwam en waar het eten best lekker was.

               volgende pagina                                    home